Ignatius

Spiegel der Martelaren: Ignatius, A.D. 111

Ignatius, een discipel van de Apostel Johannes, en een opvolger van Petrus en Evodius. Hij was in de dienst van de Gemeente van Christus te Antiochië, in Syrië, een erg Godvruchtig man, getrouw en ijverig in zijn dienst.
Hem werd de bijnaam Theophorus gegeven, alsof men wilde zeggen, ‘Gods drager’. Blijkbaar omdat hij de Naam van God en zijn Zaligmaker vaak in de mond nam, en ook een Godvruchtig leven leidde.
Hij sprak vaak op deze manier: het leven van de mensen is een voortdurende dood, tenzij het zo is dat Christus in ons leeft. Daarom is de gekruisigde Christus geheel en al mijn liefde. En degene die zich naar iemand anders dan naar Christus laat noemen, die behoort God niet toe. Hij zei ook, als de wereld de Christenen haat, zo worden ze van God bemint.
Toen deze Ignatius dan hoorde dat de keizer Trajanus, na de overwinningen, die hij gewonnen had, tegen degenen van Dacien, Armenië, Assyrië, en andere oosterse volken, de afgoden daar in Antiochië dankte. En grote offers aan deze afgoden deed; alsof deze overwinningen uit de afgoden waren voortgekomen; zo heeft hij de keizer daarover bestraft, ja zelfs (zoals Niceporus verteld) openlijk in de tempel.
De keizer, die hierdoor erg verbijsterd was, heeft Ignatius laten vangen, maar niet laten straffen binnen Antiochië, uit angst voor oproer, omdat hij daar in groot aanzien was. Maar heeft hem overgeleverd aan tien krijgsknechten en gebonden naar Rome gezonden, om hem daar te straffen.
Ondertussen werd hem het vonnis van zijn dood te kennen gegeven, op welke manier en op welke plaats dat hij zou sterven, namelijk, dat hij in Rome door de wilde dieren zou verscheurt worden. Onderweg heeft hij verschillende troostbrieven aan zijn vrienden, de gelovigen in Christus Jezus, geschreven, net als aan verscheidene gemeenten. Namelijk aan die van Smyrna, Efeze, Philadelphia, Trallis, Magnesia, Tharsen, Philippi, en in het bijzonder aan de gemeente van Christus in Rome. Welke brief hij voor zijn komst daarheen heeft gezonden. Het lijkt erop dat het verscheuren door de tanden van de wilde dieren, hem op de reis voortdurend in gedachten was; hoewel niet met angst, maar met een hartelijk verlangen, hetgeen hij in de brief tot de Roomse Gemeente vermeldde, en het volgende over opschreef:
Van Syrië vandaan, op reis naar Rome, te water en te land, bij dag en bij nacht, vecht ik met de wilde beesten. Stevig gebonden tussen tien luipaarden, die, hoe meer ik ze streel en vriendschap toon, hoe wreder en vinniger ze worden. Maar door hun wreedheid en martelingen, die zij mij dagelijks aandoen, wordt ik meer en meer geoefend, en onderwezen, desondanks ben ik daar door niet rechtvaardig.
Och! Dat ik al bij de beesten zou kunnen zijn die gereed zijn om mij te verscheuren! Ik hoop dat ik ze snel wreed genoeg zal vinden, om mij snel te vernielen. Maar als zij mij niet willen aantasten, en verscheuren, dan zal ik ze vriendelijk lokken. Zodat zij mij niet zullen ontzien, zoals ze al verschillende Christenen ontzien hebben, maar dat zij mij spoedig aan stukken scheuren en opeten. Vergeef het mij dat ik zo spreek, ik weet wat ik nodig heb.
Nu begin ik pas een discipel van Christus te worden: Ik heb geen ontzag, zowel voor zichtbare als onzichtbare dingen waarover zich de de wereld verwondert. Het is voor mij genoeg als ik maar Jezus Christus deelachtig mag worden.
Laat de duivel en de boze mensen vrij om mij allerlei pijn en martelingen aan te doen, met vuur, met kruis, met het worstelen tegen de wilde beesten, met verstrooiing van mijn ledematen, en van het geraamte van mijn lichaam. Ik acht dat alles onbelangrijk, als ik alleen maar Jezus Christus ten deel mag vallen.
Maar bidt voor mij, opdat mij innerlijke en uiterlijke kracht gegeven word, om dit niet alleen te spreken, of te schrijven, maar ook na te komen; en te kunnen lijden, opdat ik niet alleen een Christen genaamd, maar ook werkelijk bevonden mag worden.

In Rome aangekomen, werd hij door de krijgsknechten aan de stadhouder overgeleverd, met de brieven van de keizer, waar zijn doodvonnis in opgeschreven stond. Waarna hij enige dagen in de gevangenis bewaard werd; tot een zekere feestdag van de Romeinen, waarop hij (namelijk de stadhouder) hem volgens het bevel van de keizer, in het amfitheater oftewel het beestenperk heeft laten brengen.
Maar eerst en vooral werd hij met veel martelingen en pijnigingen verzocht om de Naam van Christus te lasteren, en de afgoden te offeren. Maar toen Ignatius in het geloof niet verslapte, en hoe langer hoe meer versterkt werd in het weigeren van de heidense offeranden, is hij vervolgens door de Roomse raad (als tevoren van de keizer Trajanus gedaan werd) veroordeelt om onmiddellijk voor de leeuwen geworpen te worden. Toen Ignatius dan van voor het aangezicht van de raad, naar de binnenplaats, oftewel de leeuwenkuil, gevoerd werd, zo noemde hij in de gesprekken die hij onderweg met de gelovigen had, alsook in zijn verborgen gebeden tot God, verschillende keren de Naam van Jezus: toen hem werd gevraagd waarom hij dit deed, heeft hij alsvolgt geantwoord:

Mijn lieve Heere Jezus, mijn Zaligmaker, is mij zo diep in het hart geschreven, dat ik zeker weet, dat als men mijn hart opensneed en doorkerfde, men in ieder stukje de Naam van Jezus geschreven zou vinden.
Hiermee gaf deze vrome man te kennen, dat niet alleen zijn mond, maar zelfs de innerlijkste delen van zijn hart, met de liefde van Jezus vervuld waren. Want waar het hart vol van is, daarvan spreekt de mond. Op dezelfde wijze heeft ook Paulus, vervuld met de liefde van Jezus Christus, wel tweehonderd keer in zijne brieven deze woorden gebruikt: Onze Heere Jezus Christus, en de Naam Jezus noemt hij wel vijfhonderd keer.
Als nu de hele menigte van het volk bij elkaar was, om de dood van Ignatius te zien (want het was door de gehele stad bekend geworden, dat er een bisschop van Syrië gebracht was, om volgens het vonnis van de keizer tegen de wilde beesten te vechten) zo werd Ignatius tevoorschijn gebracht, en midden in het schouwperk gesteld.
Hierop heeft Ignatius, met een vrijmoedig hart, het omstaande volk alsvolgt aangesproken, en zei: O! Gij Romeinen, alle die deze strijd met uw ogen bent komen bekijken; gij moet weten dat mij deze straf niet opgelegd is vanwege enige misdaad of overtreding, die ik niet begaan heb, maar om tot God te komen, naar Wie ik verlang, en Die ik onverzadelijk verlang te genieten; want ik ben dat broodkoren Gods, ik word met de tanden van de beesten vermaalt, opdat ik bevonden word een rein brood van Christus te zijn, die mij het brood des Levens is.
Deze woorden sprak Ignatius, toen hij in het midden van het amfitheater, in de ronde schouwplaats stond, en toen hij de leeuwen hoorde briesen. Hetgeen de broeders van de Gemeente, die mede onder het volk stonden, gehoord en getuigd hebben.
Nadat hij deze woorden gesproken had, werden twee angstaanjagende, hongerige leeuwen, uit hun kuil uitgelaten, die hem onmiddellijk verscheurd en verslonden hebben; op zo’n manier dat ze zo goed als niets of zeer weinig zelfs van zijn botten hebben overgelaten.
Op deze wijze is die getrouwe bloedgetuige van Jezus Christus op een zalige manier in de Heere ontslapen, in het jaar A.D. 111, wat het twaalfde jaar van de keizer Trajanus was.

Hertaald uit: Spiegel der Martelaren/Martyrs Mirror, Thieleman J. van Braght
© http://www.er-is-waarheid.nl / http://www.eriswaarheid.wordpress.com