Spiegel der Martelaren: Paulus de Apostel
Paulus, de Apostel van Christus, hevig vervolgt, en ten laatste in Rome onder de keizer Nero onthoofdt in 69 na Christus.
Saulus (die naderhand Paulus genoemd werd) was van afkomst een Jood, uit de Hebreeën, van de stam van Benjamin; maar wie zijn eigenlijke vader en moeder waren vindt men niet in de Heilige Schrift. Fil. 3:5
Wat betreft zijn geboorteplaats: het schijnt dat zijn ouders, hetzij door de nood van vervolging of vanwege de Romeinse oorlog, of om een andere reden, hun woonplaats in het erfdeel van Benjamin hebben verlaten en zijn gaan wonen in een Romeinse vrijstad in Sicilië, genaamd Tarsus, alwaar deze Paulus is geboren. Die door de voorrechten van deze stad, hoewel hij een Jood was, een Romein is geworden. Hand. 22:3.
Wat betreft zijn opvoeding: hij werd ijverig onderwezen in de vaderlijke Wet door de wijze Gamaliël, waarin hij heeft toegenomen op zo’n manier dat hem weinig van de zaken van het Oude Testament onbekend zijn geweest. Gal. 1:14.
Hij leefde onberispelijk naar de Wet van Mozes, en de Heilige Profeten, en dat in de meest ingetogen en strenge sekte van het Jodendom. Maar aangezien hij nog geen goed onderwijs had gehad van de Heere in het Heilige Evangelie, heeft hij (hoewel volgens de Wet) verkeerd geijverd, en de Gemeente van Christus vervolgd. Ja bij de dood van Stefanus bewaarde hij de kleren van degenen die hem doodden. Hand. 7:58.
Maar daarna, toen hij van Jeruzalems priesters brieven had ontvangen aan de synagogen van Damascus, om mannen en vrouwen gevangen te mogen nemen die de Naam van Christus beleden, zo heeft hem de Heere van de hemel dit belet, roepende: Saulus, Saulus! Waarom vervolgt gij Mij? Hij antwoordde: Wie zijt Gij Heere? De Heere zei: Ik ben Jezus, Die gij vervolgt: het zal u hard vallen de verzenen tegen de prikkel te slaan. Toen antwoordde hij, al bevende en bevreesd: Heere wat wilt Gij dat ik doen zal? De Heere sprak: Ga in de stad, daar zal men u zeggen wat gij doen moet. Handelingen 9:1-6.
De mannen die met hem reisden stonden verslagen; want zij hoorden een stem maar zagen niemand. Toen stond hij op van de aarde (aangezien hij van vrees was neergeslagen) en toen hij zijn ogen opendeed zag hij niets; zodat zij hem bij de hand leidende tot Damascus brachten. (Vers 8.)
In de stad Damascus was een discipel genaamd Ananias, tot hem sprak de Heere door een visioen, zeggende: Sta op en ga in de straat die de rechte heet en vraag in het huis van Judas naar een die Saulus van Tarsen heet, want ziet, hij bidt. (vs 11)
Ananias antwoordde: Heere ik heb van vele gehoord van deze man; hoeveel kwaads dat hij uw heiligen te Jeruzalem gedaan heeft. (vs 13)
Toen sprak de Heere tot hem: Gaat henen want hij is mij ene uitverkoren vat, opdat hij mijn Naam drage voor de heidenen, voor koningen en voor de kinderen van Israel; en ik zal hem tonen hoeveel hij lijden moet om Mijns Naams wil. (Vers 15,16)
Zo ging Ananias heen, kwam in het huis, legde de handen op hem, en zei: Saulus! Broeder, de Heere heeft mij tot u gezonden, opdat gij het gezicht weer terugkrijgt, en met de Heilige Geest vervult zou worden; en terstond vielen de schellen van zijn ogen; en hij ziende wordende, stond op, en liet zich dopen (vers 18).
Dit is de bekering geweest van Saulus, die naderhand Paulus genoemd werd. En een van de voornaamste Apostelen van onze Heere Jezus Christus geweest is: Ja hij had meer gearbeid dan zij alle: 1 Korinthe 15:10.
Meteen na zijn bekering preekte hij Christus in de synagogen, zeggende dat hij de Zoon van God was. Hand. 9:20.
Enige tijd daarna zei de Heilige Geest tot de profeten en leraars van Antiochië, nadat ze de Heere met vasten en bidden gediend hadden: zonder mij af Barnabas en Saulus, tot het werk daar ik ze toe geroepen heb; en alzo werden deze door de Heilige Geest uitgezonden. Hand. 13:2-3.
Ondertussen werd Paulus (tevoren Saulus genoemd) met bijzondere gaven van de Heilige Geest begaafd; zodat hij de geest van onderscheid had, van profetie, van tongen en van krachten. (Hand. 13:9-10, 1 Tim. 4:1, 1 Kor. 14:18, Hand. 19:11)
Hij had ook uitnemende openbaringen; zodat hij op zekere tijd, tot in de derde hemel, ja in het hemelse paradijs was opgetrokken; waar hij onuitsprekelijke woorden gehoord heeft, die geen mens zeggen kan. 2 Kor. 12:1
Bovendien was hij versierd met veel Christelijke kwaliteiten, die hij gebruikte met een goed geweten: zowel door getrouwheid in zijn dienst, vaderlijke zorg over alle Gemeenten, hartelijke liefde tot de Gemeenten, ja tot de dood toe; zodat dat hij zei: Ik heb een hartelijke lust tot u gehad, u mee te delen, niet alleen het Evangelie Gods, maar ook ons leven, omdat ik u lief heb gekregen. 1 Thes. 2:8
Hij was vreemd van gierigheid, en mild van hart, en wilde liever met zijn eigen handen arbeiden, dan de Gemeente bezwaren zodat het heilige Evangelie niet verhinderd zou worden. Hand. 20:34.
De dwaalgeesten, tovenaars, epicureïsche filosofen, en valse apostelen heeft hij krachtig tegengestaan, en door Gods Woord overwonnen.
Hij ontzag noch groot noch klein, noch edel noch onedel, noch Jood, noch Griek: maar leerde de Waarheid van God in oprechtheid.
Wat hij geleden heeft in zeven grote land en zee reizen, de tijd van dertig jaren lang, toen hij gewandeld heeft in Judea, Syrië, Azië, Macedonië, Griekenland, Italië, Spanje, Frankrijk, Duitsland, ja bijna de ganse oude bekende wereld door, is voldoende bekend, zowel beschreven in de Heilige Schrift als in de geschiedenissen.
Alleen al tot zijn eerste gevangenneming in Rome, is berekend dat hij meer dan drieduizend duitse mijlen (ca. 22.500 km) – zowel te water als te land – gereisd heeft, alleen omwille van het Evangelie. Behalve alle andere zware reizen, die hij tot versterking, opwekking en vertroosting van de eerst geplante Gemeentes heeft aangenomen, waarin hem veel verdriet, jammer en hartzeer van de ongelovigen is wedervaren. De woorden die de Heere gesproken had bij zijn bekering, werden zo vervult: Ik wil hem tonen hij veel dat hij om mijn Naams wil zal moeten lijden. Hand. 9:16.
Kort nadat hij gedoopt was, en dat zijn ijver voor de Waarheid van Christus in Damascus begon door te breken, bewijzende de Joden dat Christus gekomen was: zo hielden zij raad om hem te doden; om welke reden hij in een mand, over de muren werd neergelaten, om uit hun handen te ontsnappen. Hand. 9:24-25.
Daarna tot Iconium gekomen met zijn medegezel Barnabas, zo stookten de Joden, de Heidenen tegen hem en zijn vriend op, en wilden hen stenigen. (Hand. 14:2,5)
Daarna, nadat ze gevlucht waren naar Lystre, en een kreupele lopend gemaakt hadden, kwamen sommige Joden van Antiochië en stookten het volk op, zodat ze Paulus stenigden (die ze eerst als een God geëerd hadden) en sleepten hem de stad uit, in de overtuiging dat hij dood was, maar omringt zijnde door de discipelen stond hij weer op. (Hand. 14:18-19)
Daarna, toen hij met Silas reisde en te Filippi in Macedonië een dochtertje van een waarzeggende geest gezond gemaakt had, werd hij met Silas, nadat ze daarover aangeklaagd waren, met roeden geslagen, in de kerker geworpen, de voeten in boeien gesloten, en heel goed bewaakt. Maar ’s nachts liet God een aardbeving komen, zodat de fundamenten van de kerker beroerd werden, de deuren opengingen, en de boeien vanzelf openden. Zodat Paulus en Silas, door dit middel zijn uitgekomen, zelfs met medeweten van de Stokbewaarder, die het geloof aannam en gedoopt werd. (Hand. 16:22-36)
Daarna, toen ze in Thessalonica op drie Sabbatten het Woord Gods gepredikt hadden, zodat er een grote menigte Godvruchtige Grieken en niet weinig beroemde vrouwen geloofden, zo werden de ongelovige Joden met haat en nijd vervuld. Om die reden namen zij sommige slechte mannen tot zich die marktboeven waren, en met een grote menigte stelden zij de stad in rep en roer. Daarom overvielen ze het huis van ene Jason, omdat zij dachten dat Paulus en Silas binnen waren, en zochten ze onder de menigte te brengen: maar toen ze hen niet vonden, sleepten ze Jason en sommige broederen voor de overste van de stad, en riepen: deze, die de hele wereld in oproer brengen, zijn hier gekomen, en die heeft Jason in het geheim ontvangen. (Hand. 17:1-7)
Daarna, als Gallio stadhouder in Achaje was, stonden de Joden eendrachtelijk tegen Paulus op, en leidden hem voor de rechterstoel, en zeiden: deze maakt de lieden wijs, tegen de Wet God te dienen; en als Paulus zijn mond open wilde doen (om zich te verantwoorden) sprak Gallio tot de Joden (om hen de ongegrondheid van de beschuldigingen aan te wijzen:) Als het zo was geweest dat het bedrog of iets kwaads was, lieve Joden, zo had ik u zeker willen horen; maar aangezien het een vraag is van woorden, en namen, en van uwe Wet, zo zie zelf toe, want ik wil hierover geen rechter zijn. En hij dreef ze van de rechterstoel. Hand. 18:12-16
Daarna kwam een profeet, uit het Joodse land, Agabus genaamd, en nam de gordel van Paulus, waarmee hij zichzelf had gebonden, en zei: Dit zegt de Heilige Geest: de Man wiens deze gordel is zullen de Joden alzo binden te Jeruzalem, en zullen hem in de handen van de Heidenen leveren. Daarop hebben de broeders Paulus gebeden, dat hij toch niet naar Jeruzalem zou reizen. Maar hij antwoordde: Wat maakt gij, dat gij weent, en mijn hart bedroefd? Want ik ben bereid mij niet alleen in Jeruzalem te laten binden, maar ook te sterven om de Naam van de Heere Jezus. Hand. 21:10-13. O grote vastberadenheid van de Apostel Paulus!
Daarna, toen hij zich verantwoordde voor degenen die hem beschuldigd hadden, en op de trappen in Jeruzalem stond, zo is het gebeurd dat, nadat de Joden hem een tijd gehoord hadden, ze hun klederen afwierpen, het stof in de lucht smeten, en riepen: Doet deze mens weg van de aarde, want het is niet behoorlijk dat hij leven zou. Hand. 22:22-23.
Ondertussen werd hij gebonden om gegeseld te worden, waarvan hij niet verlost zou zijn, als hij niet verklaard had dat hij een Romein was. (Vers 25-29)
Paulus zag de raad aan en zei: Mannen, lieve broeders, ik heb met een goed geweten voor God gewandeld tot op deze dag toe. Toen beval de overste priester Ananias aan degenen die om hem heen stonden dat ze hem op zijn mond zouden slaan. Hand. 23:1-2
De daaropvolgende nacht stond de Heere bij hem, en zei: Paulus! Weest getroost! Want zo gij van Mij te Jeruzalem getuigd hebt alzo moet gij ook te Rome getuigen. Hand. 23:11
Als het nu dag werd, zo verzamelden sommige Joden zich samen, en maakten een verbond om niet te eten of te drinken totdat zij Paulus gedood hadden: het waren meer dan veertig personen, die dit verbond gemaakt hadden. (Vers 12.)
Maar van deze bedrieglijke hinderlaag werd Paulus door de zoon van zijn zus gewaarschuwd, en nadat hij dit aan de hoofdman van de Romeinen te kennen gaf, werd een uitweg bedacht om deze te ontkomen; om welke reden hij om drie uur ’s nachts naar Cesarea gevoerd werd naar de stadhouder Felix. Vers 16-33.
Maar Felix bewaarde hem in het rechthuis van Herodes, totdat zijn aanklagers zouden gekomen zijn. Vers 34.
Na vijf dagen kwam de overste priester Ananias. met de ouderlingen van de Joden, en met de spreker Tertullus, die voor de stadhouder tegen Paulus kwam. En toen Paulus geroepen werd, begon Tertullus te klagen, en zei: (nadat hij Felix met veel woorden en vleien gegroet had) Deze man hebben wij schadelijk bevonden, omdat hij oproer verwekt onder alle Joden over de hele aarde, een van de voornaamste van de sekte der Nazireeën; die zich erop toegelegd heeft om de tempel te ontheiligen, waarom wij hem grepen en wilden hem oordelen naar onze Wet; maar Lysias, de hoofdman, voorkwam dat en trok hem met geweld uit onze handen. Dit bevestigden de Joden en zeiden dat het inderdaad zo was. Hand. 24:1-9.
Maar dat dit niet waar was, hoewel zij hem door deze aanklachten zochten ter dood te helpen, is zichtbaar in de voorgaande geschiedenissen die zelf in de werken van de Apostelen beschreven staan, en uit de navolgende verantwoording van Paulus, vers 10-21.
Toen nu twee jaren om waren, kwam Portius Festus in de plaats van Felix: deze Festus (de Joden gunstig zijnde) wilde de Joden een gunst bewijzen, en liet Paulus gebonden. Vers 27.
Als nu Festus in het land gekomen was, reisde hij na drie dagen van Cesarea tot Jeruzalem. Toen gingen de overpriesters, en voornaamste van de Joden naar hem toe, en verlangde van hem dat hij Paulus te Jeruzalem zou laten komen; doch zij legden hem hinderlagen om hem onderweg te doden.
Festus antwoordde de Joden dat Paulus in Cesarea bewaard zou worden, en dat degenen die hem te beschuldigen hadden daar mochten komen. Hand. 25:4-5.
Toen die nu kwamen brachten ze veel zware zaken op, die zij niet konden bewijzen: die Paulus kostelijk en met bondige redenen weerlegd heeft, en getuigde dat hij noch tegen de Wet der Joden, nog tegen de Tempel, noch tegen de keizer gezondigd had. Om welke reden, toen hem bedrieglijk door Festus gevraagd werd of hij naar Jeruzalem wilde reizen, om daar geoordeeld worden (aangezien toch niet anders dan zijn doodsvijanden daar waren) zo heeft hij vrijmoediglijk geantwoord: Ik sta aan des keizers gerecht en daar moet ik geoordeeld worden. Ik heb de Joden geen leed gedaan, zoals gij heel goed weet: maar als ik iets heb gedaan dat de doods waardig is, zo weiger ik niet om te sterven. Hand. 25:9-11.
Daarna werd Paulus verhoord door de koning Agrippa, in het bijzijn van Festus; over welke verantwoording Festus (die een vriend van de Joden was) begon te roepen: Paulus! Gij raast. Maar Agrippa verklaarde dat het niet veel scheelde of hij was een Christen geworden, en oordeelde ook dat er geen schuld voor de doodstraf in hem was, om welke reden hij tot Festus zei: Deze mens had losgelaten mogen worden, was het niet dat hij zich beroepen had op de keizer. Hand. 26:1-32.
Ondertussen werd het besloten dat hij naar Italië zou varen, om van de keizer verhoord te worden: en met dit doel werd hij met enkele andere gevangenen aan Julius de hoofdman van de keizerlijke bende overgeleverd.
Deze gingen allen aan boord van een Adrammytisch schip: waarmee zij langs Cyprus, Sicilië, Pamfylië, en andere landen, tot Myra in Lycië gevaren zijn. Aldaar overgescheept in een schip uit Alexandrië, dat naar Italië varen zou. Hiermee voeren zij langs Enidon, onder Kreta tot aan de stad Salmon. Vandaar naar een plaats die goede haven heet, dichtbij Lasea. Hand. 27:1-9.
Toen ze in deze plaats waren voorzegde Paulus hen, dat ze deze reis zonder grote schade, gevaar van schipbreuk, en gevaar van leven, niet zouden volbrengen; maar de onder hoofdman geloofde de schipper en stuurman meer dan hetgeen Paulus zei. Vs 10-11.
Toen ze vandaar voortvoeren hoopten ze in een haven in Kreta, omtrent Fenicië, te overwinteren, maar ze geraakten tot Asson, en voeren langs Kreta heen. Vers 12-13.
Toen werd het schip van een opgeblazen noordoosten wind aangegrepen, die het, tegen de wil van de stuurlui, met de golven heen voerde, zodat ze het tegen de wind moesten opgeven, maar kwamen bij het eiland Claudia, hoewel de angst er was om op een zandbank vast te lopen. Vs 16-17.
Daarna zagen ze geen zon of sterren in veel dagen en nachten, door het enorme onweer, zodat alle hoop van overleven weg was. Vers 20.
Ondertussen zond God zijn Engel op een zekere nacht tot Paulus, en zei: En vreest niet, gij moet voor de keizer gesteld worden, en ziet God heeft ze u allen gegeven, die met u in het schip zijn. Vers 23-24.
Hierop heeft Paulus, de lieden die door dodelijke angst in veertien dagen niet gegeten hadden, vermaand voedsel te eten tot onderhoud van hun levens, en hij het brood brekende om te eten, dankte God voor hen allen. Vers 33-36.
Als het nu dag was, kenden zij het land niet waar ze voor lagen. Ook zagen ze geen haven, waar ze ook niet in hadden kunnen komen. Maar ze liepen vast op een (zand)plaat, voor het eiland Melite, (tegenwoordig Malta genoemd) alwaar het voorste gedeelte van het schip rechtop bleef staan, maar het achterste werd van de baren in stukken geslagen. Vers 39-41.
Toen hielden de krijgsknechten overleg om de gevangenen, en dus ook Paulus te doden, opdat er niemand (zodat zij niet weg zouden zwemmen) weglopen zou. Maar de onder hoofdman wilde Paulus behouden, en verbood dit plan, zeggende dat ze degenen die zwemmen konden eerst in de zee werpen zouden, om zodoende aan het land komen (hetwelk gebeurde:) maar de andere dreven, sommigen op planken, of stukken van het schip, zodat ze allemaal (te weten honderd zeventig zielen) aan land kwamen. Vers 42-44.
Zo werd hetgeen Paulus voorzegd had vervuld, namelijk dat ze schipbreuk zouden lijden, en toch het leven zouden behouden.
Hier werd Paulus eerst voor een Moordenaar, maar daarna voor een God uitgemaakt, van de lieden die op dat eiland woonden, en dat vanwege een adder, die in zijn hand beet; en die hij zonder enige hinder daar van te lijden, in het vuur wierp. Hand. 28:4-7.
Na drie maanden voeren zij met een schip mee dat daar verwinterd had, door naar Italië. Maar ze kwamen eerst in Syracuse (in Sicilië), en daarna in de plaats Puteoli op de Italiaanse grens, waar Paulus broeders vond waarbij hij zeven dagen verbleef, andere ontmoetten hem op de markt van Appius, en in de drie tavernen.
Doorgaande kwam hij in Rome, waar hem de onder hoofdman aan de overste hoofdman overleverde (om voor de keizer gebracht te worden). Maar hij werd ondertussen bewaard door een krijgsknecht, en met kettingen gebonden. (Vs 12-16.)
Dit alles hebben wij om deze reden uitgebreid (en dat volgens de Heilige Schrift) verteld, opdat gezien zou mogen worden hoeveel deze vrome man, zowel te water als te land, in zijn reizen vanwege het Heilige Evangelie heeft geleden.
Van hetwelk hij in het kort verhaal gedaan heeft (in zijn tweede zendbrief aan de Gemeente in Korinthe), en aldus schreef:
2 Korinthe 11:24-27 Van de Joden heb ik veertig slagen min een, vijfmaal ontvangen. Driemaal ben ik met roeden gegeseld geweest, eens ben ik gestenigd, driemaal heb ik schipbreuk geleden, een gansen nacht en dag heb ik in de diepte doorgebracht. In het reizen menigmaal in gevaren van rivieren, in gevaren van moordenaars, in gevaren van mijn geslacht, in gevaren van de heidenen, in gevaren in de stad, in gevaren in de woestijn, in gevaren op de zee, in gevaren onder de valse broeders; In arbeid en moeite, in waken menigmaal, in honger en dorst, in vasten menigmaal, in koude en naaktheid.
Ja het lijkt uit de eerste brief aan de Korinthiërs, dat hij in een schouwplaats in Efeze voor de wilde beesten was geworpen, om verscheurd te worden. Of in elk geval lijf om lijf tegen ze heeft gevochten: waarvan hem God die keer verlost heeft. Hiervan mag de rechtzinnige oordelen of dit zo is: Dat ik, op menselijke wijze (schrijft hij) tegen de wilde dieren te Efeze gevochten hebbe: wat helpt het mij, is het dat de doden niet verrijzen. 1 Kor. 15:32.
Wat betreft zijn gevangenis in Rome, de meeste oude schrijvers zijn van mening dat hij voor de keizer gesteld zijnde (hoewel hem zijn meeste vrienden in de tijd als hij zich verantwoorden zou, verlieten) zichzelf zo bondig tegen de aanklachten van de Joden heeft verdedigd, dat hij voor een tijd is vrijgelaten. Maar wat daarvan waar is, laten wij over aan de tekst zelf, en aan de alwetende God.
Tenslotte is het zo dat toen hij in de gevangenis in Rome was, aan zijn lieve geestelijke zoon Timotheüs, geschreven heeft, dat hij nu tot een drankoffer zou geofferd worden. En dat de tijd van zijn afscheid nabij was: (maar dat hij zich daar in trooste) aangezien hij nu de goede strijd gestreden, de loop voleind, en het geloof behouden had. En dat hem nu weggelegd was de kroon der Rechtvaardigheid, die hem de Heere, de rechtvaardige Rechter, in die Dag geven zou. Tim. 4:6-8.
Hij is dan (zoals de oude geschiedenissen vertellen), door de keizer Nero buiten Rome op de straat, waardoor men naar de stad Ostia gaat en waar de Romeinen hun rechtspraak gewoon waren te houden, met het zwaard onthoofd in het laatste jaar van Nero, wat rond 69 na Christus was.
Hertaald uit: Spiegel der Martelaren/Martyrs Mirror, Thieleman J. van Braght
© http://www.er-is-waarheid.nl / http://www.eriswaarheid.wordpress.com
